
| |
Op 1 januari 2001 is ons belastingstelsel
ingrijpend herzien: er is een nieuwe wet inkomstenbelasting en voor andere
belastingen - met name voor de loon- en vennootschapsbelasting - zijn
ingrijpende wijzigingen doorgevoerd. Verder zijn de indirecte belastingen
verhoogd: de BTW is van 17,5% naar 19% gegaan en diverse milieuheffingen zijn
nog forser gestegen.
In de Wet Inkomstenbelasting
2001 wordt het inkomen verdeeld over 3 boxen. De boxen hebben elk een eigen
belastingtarief. Er zijn derhalve drie belastbare inkomens.
Box I: belastbaar inkomen uit werk en woning.
In Box I vallen de inkomsten die direct of indirect betrekking hebben op
verrichte arbeid arbeid, alsmede inkomsten uit de eigen woning. Op dit inkomen
kunnen onder meer in mindering worden gebracht: uitgaven voor
inkomensvoorzieningen; uitgaven voor kinderopvang en persoonsgebonden aftrek.
Het inkomen in Box I wordt progressief belast (maximaal 52%).
Voorbeelden van inkomen in Box I: loon, inkomen van de zelfstandig
ondernemer, lijfrentetermijnen, pensioenuitkeringen, uitkeringen uit een
Gouden-Handdrukverzekering, sociale zekerheidsuitkeringen, eigen-woningforfait
en het rentebestanddeel in de kapitaalverzekering eigen woning, voor zover dit
niet is vrijgesteld. Voorbeelden van aftrekposten in Box I:
hypotheekrente (voor de eigen woning) en premies voor lijfrente- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Box II: belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang.
Belast wordt -onder meer- de winst gerealiseerd bij vervreemding van, en de
dividenduitkering op aanmerkelijk belangaandelen. Een belastingplichtige heeft
een aanmerkelijk belang indien hij tenminste 5% van het geplaatste
aandelenkapitaal bezit. Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt
belast naar een vast tarief van 25%.
Box III: belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
In deze box vindt belastingheffing plaats over een verondersteld rendement van
4% over het saldo van de bezittingen minus de schulden. Het tarief bedraagt 30%.
Consumptiegoederen worden daarbij niet als bezitting in aanmerking genomen.
Daarnaast gelden diverse vrijstellingen, bijvoorbeeld voor geblokkeerde tegoeden
van een bedrijfsspaarregeling en voor zogenaamde maatschappelijke beleggingen.
Voor elke belastingplichtige geldt een heffingvrij vermogen van € 19.252,--.
Belastingplichtigen met minderjarige kinderen kunnen het heffingvrije vermogen
verhogen met een bedrag van € 2.571,-- per kind. Voorbeelden van
vermogensbestanddelen (positief en negatief) in Box III: de tweede woning,
banktegoeden, aandelen (geen aanmerkelijk-belang), schulden aangegaan voor de
tweede woning en schulden voor aankoop van consumptieve goederen.
Persoonsgebonden aftrek.
De persoonsgebonden aftrek bestaat uit onder andere: alimentatie,
scholingsuitgaven in verband met een studie, uitgaven voor levensonderhoud van
kinderen en giften. De persoonsgebonden aftrek vermindert eerst het inkomen in
Box I, daarna het inkomen in Box III en vervolgens het inkomen in Box II. Er kan
echter geen negatief inkomen ontstaan. Een eventueel restant van deze aftrekpost
dient met het inkomen van de volgende jaren te worden verrekend.
Toerekening van inkomen tussen partners.
Partners kunnen de bestanddelen van Box III én gemeenschappelijke inkomsten
(inkomsten uit eigen woning en uit aanmerkelijk belang, uitgaven voor
kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek) op verzoek in elke gewenste
verhouding verdelen. Overige inkomsten worden belast bij degene die de inkomsten
geniet.
Heffingskorting.
Op de totaal verschuldigde belasting wordt vervolgens een heffingskorting
verleend. De heffingskorting is opgebouwd uit een aantal elementen, waaronder:
de algemene heffingskorting (€ 1.825,--); de arbeidskorting (hoogte
afhankelijk van de leeftijd); de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting en de
(aanvullende) ouderenkorting, jonggehandicaptenkorting, korting voor
maatschappelijke beleggingen en durfkapitaal.
|